Alle berichten in de categorie Artikelen

Van echt geld krijgt iedereen een stijve

De opkomst en ondergang van Rijkman Groenink als bestuursvoorzitter van ABN Amro is een koningsdrama met een zelfverzekerde start en een tragische afloop. Als het doek valt is de held gesneuveld en ligt de trotse bank aan diggelen. ‘Zonder geweld is een verwoesting aangericht. Waarom? Met welk doel? Geld is onverschillig, het maakt alles plat’, [...]

Amsterdam 1763, de eerste Europese bankencrisis

Leendert Pieter de Neufville (1730) was een nouveau riche, een upstart die bekend stond als een onscrupuleuze parvenu. Hij behoorde niet tot de gevestigde regentenklasse in Amsterdam, maar had zich in korte tijd omhoog gewerkt en een fortuin verdiend. Op zijn dertigste kocht hij de buitenplaats Westermeer in de buurt van Heemstede. In Amsterdam bezat hij een huis op de hoek van de Herengracht en de Herenstraat, waar hij ook kantoor hield. In drie kamers werkten dagelijks drieëntwintig klerken staande achter hun lessenaars. Het woongedeelte van het huis was luxueus ingericht met onder meer acht notenhouten kabinetten en commodes, vergulde speeltafeltjes, een schrijfbureau voorzien van kanten afzetting, wandbekleding van gele zijde en maar liefst zesennegentig schilderijen – werken van onder meer Gerard Dou, Frans Hals en Paulus Potter. Maar, merkte een tijdgenoot afkeurend op, in het hele huis was geen boek te vinden.
In 1751 had Leendert Pieter met zijn broers het handels- en bankiershuis Gebroeders De Neufville opgericht. Hij beschikte over een rederij met vijf schepen, handelde in granen, wijnen, suiker en specerijen, dreef handel in slaven voor West-Indië en was actief op de Amsterdamse beurs met wissels en kredieten. Als nieuwkomer was zijn bank de sensatie van Amsterdam. Een tijdgenoot scheef dat de broers De Neufville ‘lieden [zijn] die veel vermogen hebben en die men segt gedurende de oorlog groote schatten gewonnen [te] hebben en nog considerabele afaires [te] doen’.
De ‘oorlog’ was de Zevenjarige Oorlog die van 1756 tot 1763 woedde in Europa. In die periode bloeide Amsterdam als nooit tevoren, want de kooplieden en bankiers maakten spectaculaire oorlogswinsten. De Republiek beleefde ‘de gelukkigste en glansrijkste periode’ uit haar geschiedenis: ‘De voorspoed, de welvaart des lands was nooit zoo gerezen geweest als toen, daar was geen armoe, geen gebrek,’ schreef de achttiende eeuwse Amsterdamse dichter en advocaat Willem Bilderdijk.
De neutraliteit van de Republiek versterkte de positie van Amsterdam als financieel centrum van Europa. Banken zoals Pels, Muilman, Clifford en Hope, en het bankiershuis Mees in Rotterdam vormden de hoeksteen van de Europese kapitaalmarkt. De Republiek was rijk, de binnenlandse investeringsmogelijkheden waren beperkt. Dus zocht het kapitaaloverschot andere bestemmingen en daar bemiddelden deze banken bij. Engelse, Pruisische, Franse, Spaanse en Zweedse staatsschulden, West-Indische plantageleningen, leningen voor Zweedse ijzerertsmijnen, kwikzilverleningen, speculatieve fondsen en leningen aan Duitse vorstendommen werden in Amsterdam gefinancierd. Aan het einde van de achttiende eeuw had Nederland voor 1,5 miljard gulden in het buitenland belegd – ruim twee keer het bruto binnenlands product in die tijd.
De Zevenjarige Oorlog bood De Neufville de kans van zijn leven. Hij deed zaken met alle oorlogvoerende landen. Vooral zijn contacten met de Pruisische vorst Frederik de Grote waren intensief. Ondertussen speculeerde hij in koloniale waren, zoals suiker afkomstig uit West-Indië waarvan de prijs door de handelsbelemmeringen van de oorlog spectaculair was gestegen. En hij legde zich toe op de geldhandel. In 1762 deed hij méér transacties bij de Amsterdamse Wisselbank dan de succesvolste Amsterdamse bankier in die tijd, Thomas Hope, wiens bank over een veel groter kapitaal beschikte.
Toen de oorlog begin 1763 eindigde met de vrede van Hubertusburg, bestond de verwachting dat een periode van herstel voor de ontwrichte Europese economieën zou aanbreken. Dat pakte anders uit. Door de wegvallende vraag naar oorlogskrediet werd Amsterdam de zomer van dat jaar getroffen door een ‘financiële pestepidemie, die met razende snelheid van Bankhuis naar Bankhuis trok,’ zoals een historicus het omschreef. Middelpunt van de crisis was het bankiershuis Gebroeders De Neufville. ‘En toen haalde ider zyn melk op, zodat dat huys tot myn hartgrondig leetwezen in duygen legt,’ schreef koopman Jan Isaäc de Neufville, nadat een poging om de bank van zijn achterneven te redden, mislukt was.
De firma ging op 30 juli 1763 failliet. In de daarop volgende weken werden achtendertig Amsterdamse banken in de val meegesleept, alsmede tientallen bankiershuizen in Hamburg, Stockholm en Berlijn. In totaal werden meer dan honderd banken door de crisis getroffen. Het was de eerste Europese bankencrisis.
De Neufville financierde zijn activiteiten op een voor die tijd revolutionaire manier: met de uitgifte van schuldbekentenissen, zogenoemde wissels. Wissels waren een papieren krediet en als zodanig konden ze doorverkocht worden aan anderen. Zo kon op basis van de ene wissel krediet in de vorm van een nieuwe wissel worden verstrekt.
Wissels trekken ten behoeve van de goederenhandel gebeurde al meer dan honderd jaar. Nieuw was dat wissels werden getrokken om tijd en afstanden te overbruggen bij de verstrekking van kredieten. Wissels werden van bank naar bank doorgegeven en op hun vervaldatum niet uitbetaald, maar vervangen door nieuwe wissels, zodat aflopende schulden telkens werden verlengd.
Deze vervanging van wissels die afliepen door nieuwe wissels werd ‘wisselruiterij’ genoemd. Ruiterij verwees naar koeriers die op lange afstanden telkens van paard wisselden. Op dezelfde manier stapten debiteuren over van oude op nieuwe wissels.
Tijdens de Zevenjarige oorlog vond deze wisselruiterij in Europa op enorme schaal plaats. Het bleek een nieuwe manier om kredieten over de grenzen aan de oorlogvoerende staten te verstrekken. Amsterdamse kredieten aan Pruisen, de opkomende macht in Europa, verliepen via bankiershuizen in Hamburg – net als de Republiek was de stadsstaat Hamburg niet bij de oorlog betrokken – die als tussenschakels optraden. Er ontstond hierdoor een netwerk van met elkaar verbonden banken, die elkaars wissels onbeperkt accepteerden.
Anders dan de verwachting was, herstelde de nijverheid zich na de oorlog niet en leefde de handel evenmin op. De jaren van overvloedige beschikbaarheid van geld door de onbeperkte acceptatie van wissels was voorbij. Er ontstond krapte op de geldmarkt. De rente schoot omhoog. Bankiers die hun activiteiten met wissels gefinancierd hadden, kwamen in liquiditeitsproblemen. Ze konden niet aan geld komen om wissels die op hen getrokken waren op de vervaldatum te verzilveren. De verwevenheid van banken die elkaars wissels hadden geaccepteerd, leidde ertoe dat de crisis zich niet tot één instelling beperkte, maar zich over Noordwest-Europa verspreidde.
Op donderdag 28 juli 1763 boden klanten tevergeefs hun wissels aan bij de kleine bank Aron Joseph & Co. in Amsterdam. Een klerk liet weten dat de heren niet thuis waren. De firma beschikte over onvoldoende geld om de wissels die men had geaccepteerd, uit te betalen. Een dag later verklaarde Aron Joseph dat zijn bank de deuren voorgoed gesloten hield. Daarop liep het storm bij andere Amsterdamse banken. In paniek boden klanten hun papieren wissels aan om in muntgeld omgezet te worden.
Geconfronteerd met uitgegeven wissels die het niet kon verzilveren, kondigde het bankiershuis Gebroeders De Neufville op zaterdag 30 juli aan alle affaires te staken.
Onder leiding van de bank Hope & Co probeerden enkele verontruste bankiers in allerijl de crisis te bezweren door een reddingsfonds bij elkaar te brengen. Dat mislukte, omdat de firma Pels & Co. weigerde bij te dragen. Pels en andere gevestigde bankiers beschouwden Leendert Pieter als een onbetrouwbare praatjesmaker. Hij had, vond men, ‘de zuil van de commercie’, het vertrouwen in de wissels, met zijn risicovolle manier van financieren omver geworpen.
Het bankroet van de Gebroeders de Neufville sleepte in de daaropvolgende weken andere Amsterdamse banken met zich mee. Half augustus sloeg de crisis over naar Hamburg, waar meer dan zestig banken over de kop gingen, vervolgens raakten opnieuw in Amsterdam en ten slotte banken in Berlijn en Stockholm in problemen. In totaal gingen die zomer van 1763 meer dan honderd banken in Europa failliet.
In oktober werd het faillissement over De Neufville uitgesproken en benoemde het Amsterdamse stadsbestuur curatoren om de boedel af te wikkelen. De curatoren stelden vast dat er driehonderdeenenzestig crediteuren waren met een gezamenlijke vordering van 9.642.973 miljoen gulden. Er zaten enkele vorderingen bij van meer dan een miljoen gulden, maar ook kleine bedragen van een scharrelaar, een kleermaker en een pruikenmaker.
De wisselruiterij was een exponent van financiële innovatie. Dat paste bij de positie die Amsterdam innam als de financiële hoofdstad van de wereld tot laat in de 18de eeuw.
Nederland beroemt zich erop dat het aan de wieg heeft gestaan van het moderne financiële kapitalisme. Daarmee is niets te veel gezegd. In de zestiende eeuw beheersten de bankiers van Antwerpen de Europese geldmarkt. Ze waren de pioniers op het gebied van leningen aan soevereine vorsten.
Met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602 ontstond de eerste onderneming ter wereld met aandeelhouders als kapitaalverstrekkers. De VOC gaf de aanzet tot het ontstaan van de eerste aandelenmarkt. Het oudste bekende aandeel ter wereld werd in 2010 door een geschiedenisstudent ontdekt in het Westfries Archief in Hoorn. Het dateerde van 9 september 1606 en stond op naam van Pieter Harmensz., van beroep bode bij de burgemeesters van Enkhuizen. Pieter Harmensz. investeerde 150 gulden in de VOC en ontving hiervoor een verhandelbare kwitantie, een aandeel.
In 1611 werd op het Rokin de eerste Beurs in gebruik genomen. Twee jaar eerder, in 1609, was de Amsterdamse Wisselbank opgericht met het doel om verrekeningen tussen kooplieden te vergemakkelijken en een geldeenheid te introduceren waarmee een einde moest komen aan het geharrewar met de verschillende munten die circuleerden. De Wisselbank bewaarde het muntgeld van tweeduizend kooplieden en bankiers in de kelders van het Amsterdamse stadhuis op de Dam.

De VOC, de Wisselbank en de Beurs: in de woorden van de Schotse economisch historicus Niall Ferguson vormden ze ‘de drie hoekstenen van een nieuw soort economie’, het handelskapitalisme.
Deze drie-eenheid maakte het mogelijk dat Amsterdam vanaf het midden van de zeventiende eeuw uitgroeide tot het belangrijkste financiële centrum van de wereld. Op de geld- en kapitaalmarkt van Amsterdam financierden Europese vorsten hun oorlogen, hofhoudingen, maîtresses, goederenhandel, veroveringen en expansieplannen. Uit alle Europese landen stroomde geld naar de Amsterdamse markt, op zoek naar beleggingen. Het gevolg hiervan was dat Nederland de stabielste munt en de laagste rente ter wereld kende. Gedurende twee eeuwen was Nederland het rijkste land ter wereld.
Er was een andere kant. Nederland was óók de bakermat van financiële schandalen en crises in de wereld. Nederland pionierde met speculatie en marktmanipulatie. In de financiële geschiedenis gaan glorie en zwendel, boom en bust, altijd samen.
Zo was Gaspar Ducci (Jaspar Does), een van oorsprong Italiaanse geldhandelaar die zich in de zestiende eeuw in Antwerpen vestigde, de eerste bankier die de markt voor soevereine leningen manipuleerde. Ducci dwong in 1540 de Portugese koning, die ernstig in geldnood zat, op de knieën omdat hij zelf al het beschikbare muntgeld uit de markt had afgeroomd. Vier jaar later herhaalde hij dit speculatieve kunstje met Karel V, Heer der Nederlanden, koning van Spanje en keizer van Duitsland.
In 1609, zeven jaar na de oprichting van de VOC, deed zich de eerste poging tot speculatie op een koersdaling voor. Isaac Lemaire, koopman en aandeelhouder in de VOC, speculeerde à la baisse door VOC-aandelen die hij niet in bezit had, op termijn te verkopen in de verwachting dat hij ze op het moment van levering tegen een lagere koers zou kunnen aanschaffen.
Enkele decennia later brak in de Hollandse steden een speculatieve verdwazing uit die wereldberoemd is geworden. De tulpenbollenmanie van 1636-1637 staat bekend als de eerste financiële ‘bubbel’, een kortstondige periode waarin prijzen tot absurde hoogtes stijgen en vervolgens in elkaar klappen. De eerste beurscrash in de financiële geschiedenis vond plaats in Amsterdam: in 1672 – het ‘rampjaar’ in de vaderlandse geschiedenis – kelderden de koersen op de beurs van Amsterdam met 53 procent. Ook het eerste boek ter wereld over beursspeculatie verscheen in Amsterdam (1688). De auteur, Joseph Penso de la Vega, beschreef de beurs als een carnaval van dwazen. In 1720 was Nederland kortstondig in de ban van de ‘windhandel’, overgewaaid uit Parijs en Londen. En in 1763 was Amsterdam de aanjager van de eerste Europese bankencrisis.
Wat er daarna van Leendert Pieter de Neufville is geworden, is onduidelijk. Hij verkocht zijn koetsen, schepen, koloniale waren en schilderijen. Een aantal jaren trok hij zich terug op zijn buitenverblijf Westermeer, na 1775 verdween hij in de anonimiteit. Waarschijnlijk heeft hij de Republiek verlaten – zijn sterfjaar is onbekend.

Dit artikel is verschenen in het Geschiedenis Magazine van maart 2011. Het is gebaseerd op een hoofdstuk uit het boek ‘Grof Geld, financiële schandalen en speculaties in Nederland’.

De wereld volgens Nina Brink

De beursgang van het internetbedrijf World Online in maart 2000 is één van de grote financiële schandalen uit de Nederlandse geschiedenis, een uiting van massale verdwazing vergelijkbaar met de tulpenbollenmanie uit 1636 in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In die tijd van opkomend kapitalisme was dat het eerste voorbeeld in de wereld van een [...]