Zwijgen is zilver, kakelen goud
Lekker makkelijk: de toezichthouder heeft het gedaan.
Het parlementaire onderzoek naar de financiële crisis is nog maar een dag bezig, en sommige pundits  weten de uitkomst al. Als De Nederlandsche Bank geen nest van juristen was geweest  maar een bolwerk van economen, had men de crisis voorzien.

Grappig dat zo weinig economen de financiële tsunami  van 2008 hadden voorspeld en dat onder economen sindsdien een heftig debat over de wetenschappelijke beginselen van hun vakgebied is uitgebroken.
Er is meer aan de hand, juist in Nederland.
Amsterdam was in de 17de en 18de eeuw het financiële centrum van de wereld. De eerste internationale (Europese) bankencrisis had haar oorsprong in Amsterdam met het bankroet  in 1763 van bankhuis Gebroeders de Neufville.
Die allesoverheersende positie is Amsterdam allang kwijt. Maar zoals de economie van Groot-Brittannië al jaren drijft op de City en zoals IJsland droomde zich tot internationale internetspaarbank te kunnen ontwikkelen, zo heeft ook Nederland alle ruimte geboden voor de expansie van de financiële sector. Opeenvolgende kabinetten en politici van nagenoeg alle partijen hebben  daar actief aan meegewerkt.
Niemand wilde de financiële sector voor de voeten lopen. Niet in Reykjavik en de City, en ook niet in Amsterdam.
Geen wonder, want net als in Groot-Brittannië was de financiële sector in Nederland – tot de crisis uitbrak – goed voor 6 à 7 procent van het bruto binnenlandse product. Als de werkzaamheden van advocaten, accountants en andere dienstverleners rond de Zuid-as worden meegerekend: 9 à 10 procent van het bbp.
Onno Ruding, Wim Kok, Gerrit Zalm en Wouter Bos hadden als ministers van Financiën een heel prozaïsche reden om de financiële sector te pamperen en het toezicht zo soepel mogelijk te houden. Deze sector zorgt namelijk voor onevenredig veel inkomsten voor  de schatkist.
Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat banken en verzekeraars in pré-crisisjaar 2006 3 miljard euro belasting opbrachten,16 procent van de totale vennootschapsbelasting (18 miljard). Andere financiële instellingen meegerekend is de opbrengst zelfs 5 miljard, 27 procent van de vpb. Nog afgezien van de bijdragen aan de inkomstenbelasting en btw: die kip met gouden eieren wil geen  minister van Financiën slachten.
Het illustreert de crisisgevoeligheid van de Nederlandse  economie: 10 procent van het bbp en 27 procent van de vpb.
NRC Handelsblad
19 januari 2010